Waarover gaat het?
Dividenden die een vennootschap ontvangt, zijn in principe vrijgesteld op grond van de DBI-aftrek (definitief belaste inkomsten). De vennootschap moet wel:
- een participatie hebben van minstens 10% of met een aanschaffingswaarde van minstens 2.5 miljoen EUR, die;
- voor minstens 1 jaar in volle eigendom werd / wordt aangehouden (in bepaalde specifieke gevallen gelden weliswaar uitzonderingen).
Het dividend zal evenmin onderworpen zijn aan roerende voorheffing. Als deze aandelen later verkocht zouden worden, zal de meerwaarde ook vrijgesteld zijn van vennootschapsbelasting.
Maar de wet voorziet ook in een specifieke antimisbruikbepaling, zodat kunstmatige constructies die tot doel hebben om dividenden belastingvrij te kunnen ontvangen, kunnen worden aangepakt. Zo kan het voordeel van de DBI-aftrek geweigerd worden als de dividenduitkering verbonden is met een (geheel van) rechtshandeling(en) waarvan de administratie kan aantonen dat deze kunstmatig zijn en opgezet met het doel om de DBI-aftrek te kunnen genieten (art. 203, §1, 7° WIB92). Een analoge antimisbruikbepaling bestaat overigens ook voor de vrijstelling van roerende voorheffing op de uitgekeerde dividenden (art. 266, 4de lid WIB92).
De fiscus gebruikt deze specifieke antimisbruikbepaling om holdingstructuren te viseren. Zo heeft het hof van beroep Bergen zich onlangs uitgesproken over de antimisbruikbepaling in de context van een herstructurering.
Het arrest van het hof van beroep Bergen
De zaak betreft een holdingstructuur die eind 2016 werd opgezet binnen een familiale groep:
- Een holdingvennootschap X werd opgericht door de natuurlijk persoon A via een inbreng van aandelen van een bestaande familiale holding Y. Y zelf hield onder meer een participatie in de operationele vennootschap Z aan;
- Kort daarna verwierf X ook de resterende aandelen Y van andere familieleden. De prijs werd niet onmiddellijk betaald;
- Z keerde vervolgens dividenden uit aan Y, die nadien aan X werden uitgekeerd. X ontving dit dividend daags na de aankoop van de aandelen. Deze dividenden werden in hoofde van X niet belast omwille van de DBI-aftrek, en waren evenmin onderworpen aan roerende voorheffing;
- Het ontvangen dividend werd vervolgens door X gebruikt om de aankoopprijs van de aandelen Y af te lossen.
De fiscale administratie weigerde de DBI-aftrek evenwel in hoofde van X omdat er sprake zou zijn van een kunstmatige constructie met als doel het belastingvrij ontvangen van dividenden. Een aanvullende aanslag werd gevestigd, waarna de discussie uiteindelijk tot bij het hof van beroep Bergen komt.
Het hof van beroep Bergen brengt eerst de principes nogmaals in herinnering. Opdat deze specifieke antimisbruikbepaling kan worden toegepast, moet de fiscus aantonen dat zowel het subjectief element (de intentie van de constructie bestaat uit de toepassing van de DBI-aftrek) als het objectief element (het kunstmatig karakter) voldaan zijn.
Het hof oordeelt dat het subjectief element inderdaad voldaan is. Het primaire doel van de constructie zou bestaan uit het belastingvrij ontvangen van een dividend waarmee de aankoop van de aandelen gefinancierd kan worden.
Daarnaast besluit het hof dat ook het objectief element voldaan is. De oprichting van de holding X zou immers niet zijn ingegeven door overtuigende commerciële redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Dit blijkt immers uit (i) het zeer korte tijdsverloop tussen de verschillende handelingen, (ii) het feit dat de holding een passieve holding was die gedurende meerdere jaren geen effectieve economische activiteit uitoefende en (iii) het feit dat deze structuur ervoor zorgde dat de aankoop van de aandelen belastingvrij kon gebeuren (DBI-aftrek in hoofde van X, en belastingvrije meerwaarde op aandelen voor de verkopers – natuurlijke personen).
De zakelijke redenen die door X werden aangebracht (oplossing om tot een scheiding van het aandeelhouderschap te komen omwille van een familiale discussie en successieplanning) werden niet weerhouden door het hof.
Het hof besluit dan ook dat de oprichting van X geen enkele economische logica inhoudt, te meer omdat er al een holdingstructuur bestond, en dat er inderdaad sprake is van een kunstmatige constructie. De DBI-aftrek werd terecht geweigerd.
Bedenkingen
Dit arrest is een volgende uitspraak in het kader van taxaties die gericht zijn tegen holdings. De rechtbank van eerste aanleg Brugge bevestigde bijv. vorig jaar een aanslag in de roerende voorheffing omdat het dividend werd uitgekeerd aan een passieve holding (zie Overname structureren via een holding: opletten voor fiscaal misbruik! – Monard Law). Er zou wel hoger beroep zijn aangetekend tegen dit vonnis van de Brugse rechtbank.
De feiten in dit arrest zijn uiteraard zeer specifiek, en de snelle opeenvolging van de aankoop van de aandelen door de holding gevolgd door het opstromen van het dividend was duidelijk een negatief element voor de belastingplichtige. Maar het hof hecht ook veel belang aan het feit dat de holding een passieve holding was. Slechts nadat de fiscale controle was gestart, nam de holding overigens een actievere rol op.
Zoals in de parlementaire voorbereidingen al werd benadrukt, moet de constructie de economische realiteit weerspiegelen (DOC 54 2052/001, 9). De holding moet met andere woorden een logica bevatten die ook steek houdt buiten de fiscale context en gedragen is door zakelijke overwegingen. En hoewel de parlementaire voorbereidingen benadrukken dat deze zakelijke overwegingen niet al te nauw mogen geïnterpreteerd worden, is het duidelijk dat er toch voldoende aandacht aan deze zakelijke motieven besteed moet worden. Een actief financieel beheer wordt overigens niet als misbruik aangemerkt, zo bevestigen de parlementaire voorbereidingen nog.
Takeaway
Hoewel er verschillende redenen kunnen bestaan waarom een holding wordt opgericht, aarzelt de fiscus niet om belastingvrijstellingen te weigeren als de structuur – naar de mening van de fiscus – een kunstmatige constructie vormt en onvoldoende economische logica vertoont. Als de holding een passieve rol heeft, of wanneer er al een holding zou bestaan, vormt dit een reëel risico.
Belastingplichtigen doen er dan ook goed aan om de huidige groepsstructuren te evalueren zodat fiscale risico’s kunnen worden geïdentificeerd. Dit geldt des te meer omwille van de toegenomen focus van de fiscus, geruggesteund door strenge rechtspraak. Daarnaast is het ook aangewezen om voldoende zorgvuldig te zijn bij het opzetten van holdingstructuren met aandacht voor de economische logica.
Heeft u vragen over dit arrest of de fiscale implicaties voor uw groepsstructuur? Aarzel dan niet om Luk Cassimon (luk.cassimon@monardlaw.be) of uw gebruikelijke contactpersoon bij Monard Law te contacteren!